ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:197
Bij besluit van 19 september 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen. [appellante] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij had tot haar zoon op [datum] 2022 meerderjarig werd, een verblijfsdocument met de aantekening 'Familielid van een burger van de Unie', ontleend aan artikel 20 van het VWEU (een Chavez-Vilchezverblijfsrecht). Op 9 december 2021 heeft [appellante] een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Bij besluit van 22 april 2022 heeft de minister van Asiel en Migratie deze aanvraag van [appellante] afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 26 januari 2023 heeft de minister [appellante] alsnog een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar zoon verleend op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de ingangsdatum van deze verblijfsvergunning vastgesteld op 19 mei 2022, omdat [appellante] vanaf die datum aan alle vereisten voldeed. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de naturalisatieprocedure geen inhoudelijk oordeel kan worden gegeven over een Unierechtelijk verblijfsrecht. Volgens [appellante] is dit in strijd met het Unierecht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:455
- ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215
- ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2518
- ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4100
- ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:545
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1982:335
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:354
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:821
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:799
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:639
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2025:283