ABRvS 14 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:802
Bij besluit van 26 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Aan de vreemdeling, geboren in 1997 en van Eritrese nationaliteit, is met ingang van 3 mei 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig tot 3 mei 2019. Op 11 februari 2019 heeft de vreemdeling een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning ingediend. Omdat de vreemdeling bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM heeft de staatssecretaris in het besluit vermeld dat de vreemdeling op dit moment niet zal worden uitgezet naar zijn land van herkomst.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2466
- ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155
- Rb. Den Haag 15 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1103
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1982:335
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:403
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:367
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:127
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:432
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:799
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:9