Rb. Den Haag 28 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4501

Verweerder is terecht overgegaan tot zowel het intrekken van eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als het niet verlengen van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verder is het intrekken van eisers verblijfsvergunning niet in strijd met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor eisers gezins- en privéleven. Ook is de intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, waarbij eiser een vertrektermijn is onthouden, terwijl gedwongen terugkeer naar Afghanistan op dit moment feitelijk niet mogelijk is, is toelaatbaar en niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn. Tot slot is het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 10 jaar niet in strijd met artikel 8 van het EVRM en kan ook dit inreisverbod de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken