ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:404

Bij besluit van 12 juni 2019 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. Bij brief van 1 mei 2014, bezien in samenhang met een kennisgeving van 1 november 2013, heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is, dat haar inburgeringstermijn is gestart op 31 mei 2013 en dat zij vóór 30 mei 2016 aan deze plicht moet hebben voldaan. Vervolgens heeft de minister de inburgeringstermijn verlengd tot 18 oktober 2018 wegens ziekte van [appellante]. Zij stelt dat het door PTSS en depressie ook niet mogelijk was om vóór 18 oktober 2018 aan haar inburgeringsplicht te voldoen en zij heeft daarom op 5 september 2018 de minister verzocht om verdere verlenging van de inburgeringstermijn. Bij medisch advies van 3 juni 2019 heeft B.J. van Smeden-van Oosterom, arts van Argonaut, negatief geadviseerd over het verzoek. Bij het besluit van 12 juni 2019 heeft de minister het verzoek afgewezen. Bij het besluit van

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken