ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:334
Bij besluit van 10 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bij [appellant] een dwangsom van € 50.000,- ingevorderd wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014. [appellant] is eigenaar van de woning op het adres [locatie A] in Amsterdam. Op 1 november 2017 heeft het college een melding van woonfraude ontvangen. Deze melding hield in dat de woning kamergewijs werd verhuurd, dat er in totaal tien personen in de woning woonden en dat zij samen € 5.000,- per maand aan huur betaalden. Op 7 december 2017 hebben twee toezichthouders van de gemeente de woning bezocht. Uit dat huisbezoek is naar voren gekomen dat de woning door meer huishoudens werd gebruikt. Deze huishoudens deelden de keuken en de badkamer.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468
- ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117
- ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4305
- CBb 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:99
- ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466
- ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333
- ABRvS A-G Wattel 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152
- ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412