ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333
Bij afzonderlijke besluiten van 28 juli 2016 heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom van in totaal € 345.000,00 bij [appellante A], [appellant B] en [appellante C] (hierna tezamen en in mannelijk enkelvoud: [appellante])
De uitspraak op rechtspraak.nl