ABRvS 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3210

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft de korpschef van politie aan [appellante] een onkostenvergoeding van € 90,- opgelegd voor de verlenging van de geldigheidsduur van haar wapenverlof. Bij besluit van 20 juli 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Op 16 juli 2019 heeft [appellante] de geldigheidsduur van haar drie wapenverloven verlengd. Op grond van artikel 41 van de Wet wapens en munitie en artikel 50a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling wapens en munitie heeft de korpschef van politie bij de verlenging een onkostenvergoeding van € 90,- aan [appellante] opgelegd. De onkostenvergoeding is opgebouwd uit twee delen: € 60,- voor de verlenging van het eerste verlof en € 30,- administratiekosten voor de verlenging van het tweede en derde verlof. [appellante] is het niet eens met deze onkostenvergoeding. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het heffen van de leges niet in het individuele belang van [appellante] is, maar in het algemeen belang. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2426, volgt volgens haar dat in dat geval geen leges geheven mogen worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken