ABRvS 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:935
Bij besluit van 9 juli 2019 heeft de korpschef van politie het door [appellante] aangevraagde wapenverlof geweigerd. [appellante] heeft tegen dit besluit administratief beroep ingesteld. [appellante] had verlof voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens met daarbij behorende munitie. De korpschef heeft bij besluit van 4 juli 2016 dat verlof ingetrokken. [appellante] heeft hiertegen administratief beroep ingesteld, dat bij besluit van 30 januari 2017 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 januari 2018 het door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellante] heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Op 13 augustus 2018 heeft [appellante] een nieuwe aanvraag ingediend voor een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie ten behoeve van de schietsport. De korpschef heeft deze aanvraag bij besluit van 18 september 2018 afgewezen omdat sprake zou zijn van een herhaalde aanvraag.
De uitspraak op rechtspraak.nl