Rb. Den Haag 25 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8854
Verweerder heeft bij bestreden besluit de asielaanvraag van eiser ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is erkend als vluchteling en dat hem een verblijfsvergunning op de a-grond had moeten worden verleend. Dit is voor hem van belang omdat hij in dat geval een beroep kan doen op de Gezinsherenigingsrichtlijn in verband met de onlangs ingediende aanvragen voor gezinshereniging op basis van het nareisbeleid, hetgeen nu niet mogelijk is gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH0140). In het onderhavige geval dient eiser zijn beroep op de artikelen 3 en 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in een (nieuwe) procedure met betrekking tot de aanvraag om een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging naar voren te brengen. Indien verweerder dit beroep afwijst op de grond dat aan eiser geen vergunning uit hoofde van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw is verleend, dient in die procedure beoordeeld te worden of verweerder eiser terecht niet in het bezit heeft gesteld van een vergunning op die grond. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang heeft bij het door hem ingestelde beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl