ABRvS 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4347
Gelet op de hiervoor in overweging 2.4.2 weergegeven passage uit de brief van de UNHCR van 9 juli 2009 heeft de minister terecht naar voren gebracht dat de in die brief genoemde vier Russische experts niet als bron hebben gefungeerd voor de UNHCR-Note. Voorts blijkt uit die passage niet dat die experts informatie hebben verschaft over de roulatie en bevorderingssystematiek voor (onder)officieren binnen de KhAD/WAD, zodat de brief van 9 juli 2009 geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000. Gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling van 30 november 2004 is het aan de vreemdeling om feiten en omstandigheden te stellen die aannemelijk maken dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2009 volgt dat eerst indien door de vreemdeling inzichtelijk is gemaakt in hoeverre de aan de UNHCR Note ten grondslag gelegde bronnen, dan wel de door de UNHCR geraadpleegde aanvullende bronnen, kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar, kan worden beoordeeld of bedoelde concrete aanknopingspunten bestaan. Met de brief van de UNHCR van 4 oktober 2010 is deze inzichtelijkheid door de vreemdeling niet geboden. Voor zover daarin elf voormalige KhAD/WAD-officieren als bron of aanvullende bron zijn opgegeven, is dit niet meer dan een toelichting door de UNHCR op de stelling dat de UNHCR Note is gebaseerd op informatie afkomstig van personen die destijds aan de KhAD/WAD waren verbonden dan wel goed waren geïnformeerd. Aan de hand van de in die brief verstrekte informatie kunnen de bronnen echter niet nader worden gekwalificeerd. Ook met deze aanvullende informatie bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de UNHCR Note concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000. Met de door de UNHCR vermelde mogelijkheid om samenvattingen van de gehouden interviews beschikbaar te stellen en de namen van de in Afghanistan geraadpleegde bronnen aan de Rb. mee te delen indien de Rb. vertrouwelijkheid van die bronnen garandeert, is evenmin inzichtelijk gemaakt waarom die bronnen objectief, onafhankelijk en betrouwbaar zijn. Ook de kwalificatie van de door de UNHCR geraadpleegde wetenschappers en medewerkers van de Verenigde Naties, alsmede de waarde van de door hen verstrekte informatie, kan eerst worden beoordeeld indien nadere gegevens aangaande deze bronnen worden verschaft. Uit hetgeen hiervoor in 2.4.2.1 en 2.4.2.3 is overwogen volgt dat de Rb. in de UNHCR-note, gelezen in samenhang met de brieven van de UNHCR van 9 juli 2009 en 4 oktober 2010, ten onrechte grond heeft gevonden voor het oordeel dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000. Hieruit volgt dat de Rb. in voornoemde stukken evenzeer ten onrechte grond heeft gevonden voor het oordeel dat de minister niet zonder nadere motivering tot het besluit van 20 april 2010 heeft kunnen komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl