ABRvS 12 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3971

Anders dan de minister primair ter zitting bij de Afdeling heeft betoogd, brengt de omstandigheid dat de vreemdeling reeds bij de afwijzing van zijn eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een vertrektermijn is gegund die, gelet op de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde termijn van vier weken voor het indienen van een beroepschrift, voldoet aan de hoofdregel van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn en dat is gesteld noch gebleken dat hij Nederland binnen die termijn uit eigen beweging heeft verlaten, niet met zich dat de minister bij de afwijzing van de onderhavige aanvraag om verlening van zodanige verblijfsvergunning niet opnieuw een terugkeerbesluit, met een daarbij behorende vertrektermijn, hoefde uit te vaardigen. Met zijn betoog gaat de minister eraan voorbij dat de vreemdeling, nadat met het afwijzende besluit van 16 september 2009 zijn rechtmatig verblijf hier te lande was beëindigd, als gevolg van het indienen van zijn opvolgende - aanvraag op 18 januari 2011 opnieuw rechtmatig verblijf heeft gekregen, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Nu uit artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit niet alleen een terugkeerverplichting binnen een daartoe, overeenkomstig artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn, gestelde termijn wordt opgelegd, doch hiermee in de eerste plaats, vóórdat tot het opleggen van die terugkeerverplichting kan worden overgegaan, wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard, was de minister gehouden bij de afwijzing van de op 18 januari 2011 door de vreemdeling ingediende aanvraag opnieuw vast te stellen dat diens rechtmatig verblijf, dat hij in afwachting van de beslissing op die aanvraag had, was geëindigd. De minister heeft niet onderkend dat onder deze omstandigheden een terugkeerbesluit niet achterwege kon blijven en dat hij niet, zonder eerst door uitvaardiging van een terugkeerbesluit vast te stellen dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling hier te lande was geëindigd, een vertrektermijn kon vaststellen. (…) In het besluit van 26 januari 2011 is vermeld dat de minister de op 18 januari 2011 door de vreemdeling ingediende aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgewezen. Aldus doet zich in dit geval de in artikel 23, vierde lid, onder h, van de Procedurerichtlijn genoemde omstandigheid voor dat de asielzoeker een hernieuwd asielverzoek heeft ingediend zonder ter zake doende nieuwe elementen met betrekking tot zijn bijzondere omstandigheden of zijn land van herkomst. Het subsidiaire betoog van de minister dat hieruit volgt dat hij het asielverzoek van de vreemdeling als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en hij mitsdien, gelet op het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, de vertrektermijn op nul dagen heeft kunnen stellen, slaagt evenwel niet. Uit de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Procedurerichtlijn (Kamerstukken II, 2006 07, 30 976, nr. 3, blz. 8) blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen de facultatieve bepaling van artikel 28, tweede lid, van de Procedurerichtlijn niet in de nationale wetgeving te implementeren. Nu, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 21 oktober 2010, C 227/09, Accardo, punten 46 en 47, (www.curia.europa.eu) heeft overwogen, afwijkende bepalingen van een richtlijn, indien deze niet rechtsgeldig zijn omgezet, niet rechtstreeks kunnen worden ingeroepen tegen particulieren, heeft de minister, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet op de grond dat hij de aanvraag van de vreemdeling als kennelijk ongegrond heeft afgewezen van het toekennen van een vertrektermijn van zeven tot dertig dagen kunnen afzien. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat, zoals de vreemdeling terecht betoogt, het in het besluit van 26 januari 2011 vervatte terugkeerbesluit, gelet op het voorgaande, in strijd is met artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen