Rb. Den Haag 30 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3667
Verweerder heeft een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van vijf jaar uitgevaardigd. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 februari 2016 (zaak J.N. tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, zaaknr. C-601/15) moet worden geconcludeerd dat, anders dan de Afdeling in zijn uitspraken van 12 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW39710) en 5 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0148) heeft overwogen, het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, terwijl eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd, niet tot gevolg heeft dat verweerder bij afwijzing of intrekking van die aanvraag opnieuw een terugkeerbesluit dient uit te vaardigen. Hieruit volgt dat de door eiser na het terugkeerbesluit van 2 november 2012 ingediende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet tot gevolg hebben gehad dat dat terugkeerbesluit is komen te vervallen, maar dat de werking van dat terugkeerbesluit tijdelijk is opgeschort geweest gedurende de behandeling van die aanvragen. Nu verweerder bij het thans bestreden terugkeerbesluit opnieuw aan eiser de verplichting heeft opgelegd Nederland onmiddellijk te verlaten, worden daarmee geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen die niet reeds bestonden als gevolg van het (herleefde) terugkeerbesluit van 2 november 2012. Derhalve is in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb waartegen eiser op grond van artikel 8:1 Awb beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Gelet daarop acht de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl