Rb. Den Haag 23 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3716

Afwijzing van het asielverzoek als kennelijk ongegrond, terwijl het verzoek is onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens Richtlijn 2005/85/EG en artikel 28 lid 2 van die richtlijn destijds niet is geïmplementeerd / procesbelang / zelf in de zaak voorzien. De asielaanvraag van 27 september 2014 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Nu de asielaanvraag dateert van voor de implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (herziene Procedurerichtlijn), is dit verzoek om internationale bescherming onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens Richtlijn 2005/85/EG (de vorige Procedurerichtlijn), voor zover een lidstaat destijds niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven de facultatieve bepalingen in laatstgenoemde richtlijn niet op te nemen in nationale wetgeving. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3971). Nederland heeft toentertijd niet artikel 28, tweede lid, van de vorige Procedurerichtlijn geïmplementeerd, waarin is bepaald onder welke omstandigheden de lidstaten een asielverzoek als kennelijk ongegrond kunnen beschouwen. Betrokkene heeft altijd belang bij de vraag welk recht van toepassing is. Dat hij zijn beroep heeft mogen afwachten en al die tijd opvang heeft genoten, doet niet af aan het feit dat zijn aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat de staatssecretaris in het kader van de kennelijke ongegrondheid tevens is gehouden om eerst de ongegrondheid van de aanvraag te beoordelen, wil niet zeggen dat sprake is van een primair en subsidiair standpunt. De kennelijke ongegrondheid bestaat weliswaar uit twee componenten, maar die zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden als de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Nu de aanvraag beoordeeld had dienen te worden aan de hand van het recht zoals dat gold ten tijde van aanvraag, heeft de staatssecretaris de aanvraag niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, nu de staatssecretaris de aanvraag wel had kunnen afwijzen als ongegrond. De rechtbank wijst de aanvraag al als ongegrond in de zin van artikel 31 lid 1 Vw, zoals die bepaling luidde ten tijde van de aanvraag. Daarbij wordt erop gewezen dat voor betrokkene de rechtsgevolgen gelden die aan een afwijzing op die grond in de VA-procedure zijn verbonden. Dit houdt in dat de uitspraak heeft te gelden als terugkeerbesluit en dat de vertrektermijn ingevolge artikel 62 lid 1 Vw, zoals die bepaling luidde ten tijde van de aanvraag, vier weken bedraagt. Verder bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift vier weken, gelet op artikel 69 lid 1 Vw, zoals dat artikel luidde ten tijde van de aanvraag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken