ABRvS 19 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6287
De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2011 blijkt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juli 2011 zijn geschorst, waarmee de vreemdeling, zij het wellicht tijdelijk, wederom in de positie is gebracht waarin hij voorafgaand aan het nemen van dat besluit verkeerde. Gelet hierop en omdat de minister niet heeft betwist dat de vreemdeling voorafgaand aan het besluit van 29 juli 2011 rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, verblijft hij vanaf 26 oktober 2011 opnieuw op deze grond rechtmatig in Nederland, zodat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 59, eerste lid, van die wet, aldus de rechtbank. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 maart 2008 in zaak nr. 200708582/1; www.raadvanstate.nl), kan een verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring te schorsen, gelet op de aard en de strekking van een ongewenstverklaring, uitsluitend geacht worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om een vreemdeling uit te zetten. Wordt een dergelijke voorlopige voorziening getroffen, dan blijft de ongewenstverklaring evenwel voortduren. Gelet op het voorgaande kan, anders dan de Afdeling heeft overwogen in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 11 februari 2005 in zaak nr. 200409153/1 (JV 2005/136), met het treffen van een voorlopige voorziening, als thans aan de orde, niet worden bewerkstelligd dat de vreemdeling weer rechtmatig verblijf heeft. Dat in de thans aan de orde zijnde zaak geen sprake is van samenloop tussen een besluit tot ongewenstverklaring en een procedure omtrent een verblijfsvergunning asiel, zoals wel het geval was in de zaken die hebben geleid tot voormelde uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2006 en 14 maart 2008, vormt geen relevant verschil. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de vreemdeling vanaf 26 oktober 2011 opnieuw ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 rechtmatig in Nederland verblijft en dat voortzetting van de maatregel van bewaring derhalve in strijd is met artikel 59, eerste lid, van die wet.
De uitspraak op rechtspraak.nl