Rb. Den Haag 27 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14649
verzoek vrijstelling griffierecht; procesbelang Verzoeker verzoekt om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. Hij stelt daartoe slachtoffer te zijn van mensenhandel, onrechtmatig in Nederland te verblijven, niet te beschikken over inkomsten en niet te mogen werken. Verzoeker verwijst onder meer naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443). Ter onderbouwing van zijn onvermogen om te betalen, heeft verzoeker zijn dossier bij de Raad voor Rechtsbijstand van 10 oktober 2014 overgelegd, waaruit blijkt dat zijn eigen bijdrage op nihil is gesteld en een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen, ondertekend door verzoeker op 29 oktober 2014. Hiermee heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet beschikt over eigen vermogen, dan wel over inkomsten, waarmee hij de voor de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening verschuldigde griffierecht zou kunnen voldoen. Uit het dossier is evenmin van overige omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker over vermogen beschikt om het griffierecht te kunnen voldoen. In de omstandigheden van dit geval maakt de heffing van griffierecht het voor verzoeker derhalve onmogelijk, althans uiterst moeilijk, om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Onder deze omstandigheden kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoeker door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening achterwege dient te blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl