Rb. 's-Gravenhage 19 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8930
Verweerder wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, omdat zijn strafdetentie voortduurt tot 18 oktober 2013 en hij daarom niet met uitzetting wordt bedreigd. De Afdeling is immers onder andere tot de uitspraak van 19 januari 2012 (LJN: BV6287) gekomen omdat een vreemdeling op grond van artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring voortduurt. In onderhavig geval is verzoeker echter niet ongewenst verklaard, maar is hem een inreisverbod opgelegd en kan hij op grond van het bepaalde in artikel 66a, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf hebben, indien de voorzieningenrechter bepaalt dat zijn uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verzoeker heeft voorts een verband gelegd tussen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het inreisverbod enerzijds en de onmogelijkheid om tijdens zijn detentie deel te nemen aan resocialisatiemogelijkheden anderzijds, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat hij met onderhavige procedure niet kan bereiken wat hij daarmee voor ogen heeft. Nu verzoeker in april 2012 reeds de negatieve gevolgen van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en het inreisverbod heeft ondervonden is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat verzoekers belang ook spoedeisend is. Het primaire besluit is op het punt van de mogelijke aanspraken van verzoeker op rechten die voortvloeien uit Besluit nr. 1/80 dermate summier dat dit besluit heroverweging behoeft. Verweerder zal voorafgaande aan het beslissen op het bezwaarschrift derhalve dienen te onderzoeken of verzoeker rechten kan ontlenen aan Besluit nr. 1/80 en in de beslissing op bezwaar op dit punt moeten ingaan. Indien het antwoord daarop bevestigend luidt, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat niet het nationale openbare ordecriterium van toepassing is, maar het communautaire. Verweerder zal zich in de beslissing op bezwaar in dat geval tevens rekenschap dienen te geven van de vraag wat het vorenstaande betekent voor de houdbaarheid van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en het opgelegde inreisverbod. Indien het antwoord daarop ontkennend luidt, zal verweerder zich in de beslissing op bezwaar dienen uit te laten over de vraag of verzoeker niettemin valt onder artikel 13 van Besluit nr. 1/80 en, zo ja, of de huidige glijdende schaal en de wettelijke bepalingen omtrent het inreisverbod in strijd zijn met die standstillbepaling. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het bestreden besluit kennelijk onrechtmatig is. Aan een belangenafweging wordt dus niet toegekomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl