Rb. Den Haag 2 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6308
De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verweerder dat bij de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet beoordeeld hoeft te worden of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraken van onder meer 31 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:895) en 28 februari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:1507) - niet gepubliceerd maar bekend bij partijen - heeft overwogen, moet een overtreding van een strafbepaling ook als een daad in strijd met de openbare orde worden aangemerkt. Verweerder moet dus beoordelen of het persoonlijke gedrag van verzoeker een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Niet in geschil is dat verweerder deze beoordeling in het bestreden besluit niet heeft verricht. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven, omdat verweerder daarin niet het juiste openbare ordecriterium heeft toegepast. Verweerder wil evenmin een subsidiair standpunt innemen voor de situatie dat het unierechtelijke openbare ordebegrip moet worden toegepast. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit met inbegrip van het terugkeerbesluit en inreisverbod. Een minder vergaande voorlopige voorziening levert verzoeker, mede gelet op het bepaalde in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a (of b), en artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf hangende bezwaar op. Nu het bestreden besluit voor verzoeker zeer belastend en naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet rechtmatig is, ligt het in de rede de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, te weten rechtmatig verblijf in Nederland tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het niet mogelijk is een voorlopige voorziening te treffen die tot gevolg heeft dat verzoeker vooralsnog (opnieuw) rechtmatig in Nederland verblijft. De voorzieningenrechter ziet geen steekhoudende argumenten voor de conclusie dat hij een besluit dat door de rechtbank kan worden vernietigd niet kan schorsen. Het onverkort toepassen van de rechtspraak van de Afdeling op een zwaar inreisverbod heeft daarnaast tot gevolg dat dit verbod hangende bezwaar of beroep onverkort blijft gelden, hoe onrechtmatig dit verbod wellicht ook is en hoe nadelig de gevolgen daarvan voor de vreemdeling mogelijk ook zijn, wat de effectiviteit van het rechtsmiddel voorlopige voorziening zonder gebleken noodzaak ernstig ondergraaft. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de uitspraak van 19 januari 2012 van de Afdeling onverkort toepasbaar is op een inreisverbod. De Afdeling heeft zich hierover voor zover bekend nog niet expliciet uitgelaten. Bovendien schrijft artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) voor dat de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel kan aanwenden tegen de in artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer. In artikel 12, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt ook het inreisverbod vermeld. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is de in het eerste lid bedoelde autoriteit of instantie bevoegd de in artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien of de uitvoering ervan tijdelijk op te schorten. De door verweerder voorgestane benadering, waarin het inreisverbod in bezwaar en beroep van kracht blijft, ook als de vreemdeling een voorlopige voorziening vraagt en terecht betoogt dat het inreisverbod onrechtmatig is, acht de voorzieningenrechter niet in overeenstemming met artikel 13, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en hetgeen in de vorige alinea is overwogen.
De uitspraak op rechtspraak.nl