ABRvS 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5940
Het voor de invoering van de Schengengrenscode in de Vw 2000 bestaande regime ten aanzien van de weigering van toegang van een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst is, gelet op de memorie van toelichting, ook na de invoering van de Schengengrenscode ongewijzigd gehandhaafd. Artikel 3, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode, is daarbij kennelijk zo uitgelegd dat daarmee beoogd is de weigering van toegang van vreemdelingen die een asielaanvraag wensen in te dienen buiten het bereik van de Schengengrenscode te houden en dat dientengevolge een vreemdeling die een asielaanvraag wenst in te dienen de toegang tot Nederland slechts kan worden ontzegd op grond van artikel 3, derde lid, van de Vw 2000. De in artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 bedoelde handelwijze, waarbij aan een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing de toegang wordt geweigerd, betreft een speciale regeling die een bijzondere waarborg inhoudt voor de betrokken vreemdeling. Dit in aanmerking genomen acht de Afdeling de in 2.2.2. weergegeven uitleg juist. De vreemdeling heeft aan de grens verklaard in Nederland een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel in te willen dienen. De voorzieningenrechter heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling anders dan op grond van artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 de toegang tot Nederland kon worden geweigerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl