ABRvS 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548
Vreemdelingenbewaring / strafrechtelijke detentie / niet voldoen aan inspanningsverplichting / ruimte voor belangenafweging Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2002 in zaak nr. 200200103/1, JV 2002/141), behelst de geciteerde passage uit paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 een inspanningsverplichting en biedt deze geen garantie aan vreemdelingen dat zij na strafrechtelijke detentie niet in vreemdelingenbewaring zullen worden gesteld. De staatssecretaris is op 21 oktober 2008 begonnen met de voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling door hem met het oog daarop te horen. Nu de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank heeft erkend dat op diezelfde dag al een Dublinclaim gelegd had kunnen worden bij de autoriteiten van Frankrijk en België, hetgeen uiteindelijk eerst op 10 november 2008 bij de Belgische autoriteiten is gebeurd, kan de staatssecretaris niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij zijn inspanningsverplichting voldoende is nagekomen. Zoals de Afdeling echter evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer voormelde uitspraak van 11 februari 2002), maakt de enkele omstandigheid dat niet zoveel als mogelijk is gedaan om te voorkomen dat een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld, die bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 7 november 2008 niet dat, indien niet aan de inspanningsverplichting is voldaan, de daaropvolgende vreemdelingenbewaring reeds daarom onrechtmatig moet worden geacht. De periode die de vreemdeling in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht, kan niet worden beschouwd als betrof het vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), die, zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 7 november 2008, gelet op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alleen dan gerechtvaardigd is indien bij de voorbereiding van de uitzetting voldoende voortvarendheid wordt betracht. Voor zover gedurende de strafrechtelijke detentie handelingen worden verricht gericht op de uitzetting van de vreemdeling, strekken deze ter uitvoering van artikel 61, gelezen in samenhang met artikel 63, van de Vw 2000. Indien de vreemdeling, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht, ontstaat voor de staatssecretaris de bevoegdheid tot uitzetting van die vreemdeling. Met betrekking tot vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben en zich in strafrechtelijke detentie bevinden is aan deze bevoegdheid invulling gegeven in voormeld beleid neergelegd in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000. Bij het niet voldoen aan de in dat beleid neergelegde inspanningsverplichting is steeds ruimte voor een belangenafweging. In zoverre slaagt de grief.
De uitspraak op rechtspraak.nl