ABRvS 4 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3839

Nationale veiligheid / ambtsbericht AIVD / geen inzage van onderliggende stukken door verweerder. De rechtbank heeft miskend dat in de wet de term 'gevaar voor de nationale veiligheid' niet nader is omschreven, volgens paragraaf B1/3.2.5 Vc 2000 gevaar voor de nationale veiligheid per geval wordt beoordeeld, de AIVD ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 de bevoegde instantie is om te onderzoeken of van zodanig gevaar sprake is en uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid oplevert ten grondslag heeft gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting. Vermelding van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende bron, danwel bronnen, mocht achterwege blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan. Daarbij is mede van belang dat de vreemdeling heeft volstaan met de enkele ontkenning van de in het ambtsbericht vermelde feiten en de daaruit getrokken conclusies en dat deze niet gemotiveerde ontkenning niet kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De minister mocht het ambtsbericht dan ook aan de bij de rechtbank bestreden besluiten ten grondslag leggen, zonder inzage van de aan dat bericht ten grondslag liggende stukken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen