Rb. 's-Gravenhage 17 februari 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AV3754

Verdachte Hofstadgroep / ambtsbericht AIVD / artikel 3:2 Awb. De rechtbank is met partijen van oordeel dat een ambtsbericht van de AIVD in beginsel is aan te merken als een deskundigenbericht. Indien een (individueel) ambtsbericht van de AIVD op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, kan verweerder er genoegen mee nemen dat de bronnen waaraan de in het ambtsbericht neergelegde informatie is ontleend, niet in het ambtsbericht worden genoemd, omdat dit immers, gelet op de specifieke positie van de AIVD en de noodzaak tot bronbescherming, dikwijls niet verantwoord zal zijn. Dit uitgangspunt brengt echter niet met zich dat verweerder ten aanzien van ieder (individueel) ambtsbericht van de AIVD op voorhand zonder meer mag aannemen dat aan voornoemde voorwaarden wordt voldaan en/of een dergelijk ambtsbericht in alle gevallen zonder meer aan zijn besluitvorming ten grondslag kan leggen. Met betrekking tot de vraag in welke gevallen verweerder nader onderzoek dient te verrichten naar een ambtsbericht van de AIVD, overweegt de rechtbank als volgt. Geen rechtsregel verplicht verweerder om na ontvangst van een ambtsbericht van de AIVD - zonder meer - tot ambtshalve besluitvorming op basis van dat ambtsbericht over te gaan. Verweerder blijft derhalve ten volle verantwoordelijk voor de keuze om tot besluitvorming over te gaan. Deze verantwoordelijkheid is - onder meer - vervat in de uit artikel 3:2 Awb voortvloeiende verplichting voor verweerder om voorafgaand aan de totstandkoming van een beschikking de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat uit de positie en deskundigheid van de AIVD dient te volgen dat door deze dienst uitgebrachte ambtsberichten van dit regime dienen te worden uitgezonderd. Voor een dergelijke uitzonderingspositie bestaat te minder reden nu de gevolgen van deze ambtsberichten voor de betrokken personen zeer ingrijpend kunnen zijn. Verweerder zal zich er, gelet op het vorenstaande, voorafgaand aan eventuele besluitvorming derhalve ook van dienen te vergewissen of een (individueel) ambtsbericht van de AIVD op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen waaraan deze informatie is ontleend. Eerst indien verweerder van mening is dat de in het ambtsbericht vervatte informatie voldoende onpartijdig, objectief en inzichtelijk is, kan in het algemeen dan ook tot besluitvorming worden overgegaan die de toets der rechterlijke kritiek kan doorstaan. Naarmate de feiten en omstandigheden, vervat in de onderliggende stukken, concreter en meer gedetailleerd in het ambtsbericht zijn beschreven, zal verweerder eerder kunnen concluderen dat het ambtsbericht voldoende inzichtelijk is en kunnen afzien van nader onderzoek. Echter, indien het ambtsbericht zich beperkt tot louter kwalificaties en/of conclusies, dan wel indien de door de AIVD gegeven kwalificaties en/of conclusies gebaseerd zijn op informatie die in overwegende mate beperkt, niet-concreet en/of voor meerdere uitleg vatbaar is, zal verweerders gehoudenheid om de in artikel 3:2 Awb vervatte zorgvuldigheidsnormen bij zijn besluitvorming in acht te nemen, aanleiding dienen te vormen om nader onderzoek te verrichten. Dergelijk onderzoek kan, onder meer, bestaan uit het inzien van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken (de zogenaamde REK-check) en/of het stellen van aanvullende vragen aan de AIVD. Verweerder dient daarbij, voor zover nodig, een kritische invulling te geven aan de waardering van de mate van het feitelijk gehalte van een deskundigenadvies. Deze zelfstandige afweging van verweerder kan niet geheel afhankelijk worden gemaakt van eventueel door de betrokken vreemdeling aangevoerde aanknopingspunten voor twijfel. Gelet op de bijzondere procespositie van de vreemdeling bij ambtsberichten van de AIVD zal deze veelal slechts zal kunnen reageren op de in dat ambtsbericht verschafte informatie. Immers, de bronnen waaraan een ambtsbericht van de AIVD is ontleend zijn veelal niet openbaar en betrokkene kan - gelet op het huidige wettelijke systeem en de daarop gestoelde praktijk - geen inzage krijgen in de onderliggende stukken waarop het ambtsbericht is gebaseerd. Indien de betrokken vreemdeling de feiten en omstandigheden gemotiveerd betwist, dan wel deze in een andere context plaatst, zal verweerder dit bij zijn beoordeling dienen te betrekken, waarbij een niet-restrictieve opvatting dient te worden gehanteerd met betrekking tot de vraag of de aangevoerde aanknopingspunten voor twijfel voldoende concreet zijn. De consequenties van de kwalificatie “gevaar voor de nationale veiligheid” zullen verweerder, gelet op het belastende karakter daarvan, bovendien tot extra zorgvuldigheid dienen te nopen. In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat de passages in het individueel ambtsbericht poly-interpretabel en onvoldoende concreet op de persoon van eiser toegespitst zijn om in redelijkheid te kunnen concluderen dat de in deze passages vervatte feiten en omstandigheden - op zichzelf, noch in onderling verband - voldoende inzichtelijk zijn om eenduidig herleidbaar te zijn tot de conclusie dat eiser een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet zonder nader onderzoek heeft kunnen concluderen dat het litigieuze ambtsbericht op inzichtelijke wijze informatie verschaft. Gelet hierop zijn de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid. De besluiten zijn dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 Awb tot stand gekomen en reeds hierom zullen de beroepen gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen