Rb. Zeeland-West-Brabant 31 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:378
Omzetbelasting en overdrachtsbelasting. Tussenuitspraak. Belanghebbende verzoekt de inspecteur om te verklaren dat de verbouwing van een onroerende zaak heeft geleid tot een vervaardigd goed in de zin van art. 11 lid 3 onderdeel b Wet OB 1968. De inspecteur wijst het verzoek af. Belanghebbende is van mening dat de verkrijging is vrijgesteld van overdrachtsbelasting (samenloopvrijstelling ex. art. 15 lid 1 onderdeel a WBR), de inspecteur is het daar niet mee eens. De rechtbank stelt na een bespreking van de bestaande Nederlandse en Europeesrechtelijke jurisprudentie prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de invulling van het begrip ‘in wezen nieuwbouw’. De rechtbank stelt de volgende vragen: 1. Aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld of na (verbouwings)werkzaamheden aan een onroerende zaak ‘in wezen nieuwbouw’ is gerealiseerd? Dient die beoordeling plaats te vinden aan de hand van de volgende criteria: - wijzigingen in de bouwkundige identiteit/uiterlijke herkenbaarheid; - wijzigingen in de bouwkundige constructie; - wijzigingen in functie in de zin van aanwendingsmogelijkheden; - de grootte van de gedane investeringen en/of de door verbouwing gerealiseerde meerwaarde; dan wel (mede) aan de hand van andere criteria? 2. Welk(e) van de onder 1 bedoelde criteria moet(en) als noodzakelijke voorwaarde(n) voor ‘in wezen nieuwbouw’ worden aangemerkt? 3. Welk (relatief) gewicht moet in zijn algemeenheid worden toegekend aan de in vraag 1 bedoelde criteria?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Ettema 3 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:9
- Hof 's-Hertogenbosch 5 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:834
- Hof 's-Hertogenbosch 5 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:839
- Rb. Zeeland-West-Brabant 26 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1927
- HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2137
- Hof 's-Hertogenbosch 5 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:722
- HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6640
- HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3574
- Conclusie A-G VAN HILTEN 8 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BX6640
- HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6681
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1985:195
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:367