Rb. Zeeland-West-Brabant 20 mei 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:2206
Tussenuitspraak. Artikel 8:32a Awb. Omdat de inspecteur – desgevraagd – niet aan zijn substantiëringsplicht voldoet, worden door hem ingebrachte stukken buiten beschouwing gelaten. Namens de inspecteur zijn 23 verhuisdozen met daarin stukken van (een deel van) een strafrechtelijk onderzoek in het geding gebracht. Tevens heeft de inspecteur de voor de belastingprocedures van belang zijnde stukken uit die 23 verhuisdozen opgenomen in een tweetal aparte ordners. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de 23 verhuisdozen geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, dan wel dat deze met toepassing van artikel 8:32a van de Awb buiten beschouwing moeten worden gelaten. Een principiële beslissing of de 23 verhuisdozen zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken is volgens de rechtbank niet relevant. Het staat de inspecteur immers vrij om de 23 verhuisdozen in te brengen (en dat heeft hij ook gedaan). Gelet op de omvang van het strafdossier, het feit dat de inspecteur de van belang zijnde stukken in twee aparte ordners heeft ingebracht en mede gelet op het verdedigingsbelang van belanghebbenden ziet de rechtbank aanleiding om gebruik te maken van haar in artikel 8:32a van de Awb gegeven bevoegdheid. Op basis van dat artikel kan zij de inspecteur verzoeken om aan te geven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens en bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Een apart verzoek aan de inspecteur is niet nodig. De inspecteur heeft reeds aangegeven dat de stukken in de 23 verhuisdozen allemaal van belang zijn voor alle stellingen die hij inneemt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur daarmee niet aan zijn substantiëringsplicht heeft voldaan en laat de stukken in de 23 verhuisdozen, met uitzondering van de stukken die ook in de twee afzonderlijk ingediende ordners zitten, buiten beschouwing
De uitspraak op rechtspraak.nl