Rb. Zeeland-West-Brabant 5 juli 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3875
Artikel 8:42, 8:31, van de Awb. Artikel 4, 16 en 27e AWR. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Gevolgen niet voldoen aan artikel 8:42 Awb. Aangifteplicht. Omkering bewijslast. Nieuw feit. Toetsingsmoment kwade trouw. Verlengde navorderingstermijn. Voortvarendheidseis. Woonplaatsdiscussie. De zaak betreft een belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2002 tot en met 2013. Kern van het geschil tussen belanghebbende en de inspecteur is of belanghebbende al niet (binnenlands) belastingplichtig is. Belanghebbende heeft hoewel daartoe uitgenodigd geen aangiften gedaan. De rechtbank overweegt dat de inspecteur op diverse punten geen duidelijkheid heeft kunnen scheppen over onder meer het gehouden woonplaatsonderzoek van de Belastingdienst en de rol en hoedanigheid van een belastingambtenaar bij een FIOD-onderzoek. De rechtbank komt mede op basis daarvan tot de conclusie dat niet alle 8:42-stukken zijn overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Geen wettelijke regel staat eraan in de weg om ná het einde van de aanslagtermijn belanghebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte. Dat belanghebbende geen aangiften heeft gedaan, hoeft weliswaar niet zonder meer te leiden tot omkering van de bewijslast, maar hier is er geen sprake van dat voldoende uitdrukkelijk en gemotiveerd te kennen worden gegeven dat en waarom er geen sprake is van belastingplicht. Ondanks de omkering van de bewijslast heeft de inspecteur de bewijslast dat aan de voorwaarden voor navordering is gedaan. Mede gelet op het niet-voldoen aan de 8:42-verplichtingen en gelet op artikel 8:31 Awb, is de rechtbank van oordeel dat bij bepaalde navorderingsaanslagen niet aan het nieuwfeitvereiste is voldaan. Het door de inspecteur aangevoerde niet-retourneren van de aangiftebiljetten kan bovendien geen kwade trouw opleveren omdat dit een gedraging betreft die dateert van ná het verstrijken van de aanslagtermijnen. Met betrekking tot de resterende navorderingsjaren 2002-2004 geeft de rechtbank verder enige oordelen in verband met de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Een van de oordelen is dat met betrekking tot een bepaald inkomensbestanddeel niet aan de zogenoemde voortvarendheidseis is voldaan. Voor zover aan de eisen van navordering is voldaan en voor zover het gaat om primitieve aanslagen, dient bij de beoordeling van de belastingaanslagen rekening te worden gehouden met de omkering van de bewijslast. Gelet op de ingebrachte informatie is niet onredelijk het uitgangspunt van de inspecteur dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is. Ook van de schatting van de hoogte van het (resterende) inkomen kan niet gezegd worden dat deze willekeurig is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672
- Hof 's-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593
- HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359
- HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717
- HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:30
- HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401