Hof 's-Hertogenbosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2353

In geschil zijn de opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 2002 tot en met 2013. De inspecteur heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Aan het niet overleggen van een deel van die stukken verbindt het Hof consequenties: de inspecteur beschikt niet over een nieuw feit voor navordering en de inspecteur heeft niet voortvarend gehandeld. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in de onderhavige jaren in Nederland woonde. Navordering is mogelijk omdat belanghebbende te kwader trouw is. Ook gedragingen die na de aanslagtermijn hebben plaatsgevonden, kunnen leiden tot kwade trouw. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. Belanghebbende heeft daarmee niet de vereiste aangifte gedaan. Op basis van de normale bewijslastregels stelt het Hof voor de jaren 2002 tot en met 2008 vast of sprake is van in het buitenland opgekomen of gehouden vermogensbestanddelen waar de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen op van toepassing is. Toepassing standstill-bepaling. Het hoger beroep van beide partijen is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken