ABRvS 23 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BP0428
Vreemdelingenbewaring / (recht op) consulaire bijstand / inspanningsverplichting minister om contact zsm te bewerkstelligen In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de vreemdeling terstond gebruik wilde maken van het hem toekomende recht op consulaire bijstand of dat hem de mogelijkheid daartoe is onthouden, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het recht op consulaire bijstand is geschonden. Daartoe voert de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2009 in zaak nr. 200905606/1 (www.raadvanstate.nl), aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat wanneer een vreemdeling om consulaire bijstand verzoekt de minister een inspanningsplicht heeft om deze bijstand mogelijk te maken. Zoals de Afdeling in de door de vreemdeling aangehaalde uitspraak heeft overwogen, volgt uit artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (hierna: het Verdrag) en artikel 5.5, tweede lid van het Vb 2000 dat indien de minister een vreemdeling heeft gewezen op het hem toekomende recht op consulaire bijstand en deze om die bijstand verzoekt, op de minister de plicht rust om zo spoedig mogelijk van de inbewaringstelling kennis te geven aan de in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling, opdat voorkomen wordt dat deze vertegenwoordiging feitelijk de rechten van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a en c, van het Verdrag niet kan uitoefenen. Door te overwegen dat niet is gebleken dat de vreemdeling de mogelijkheid is onthouden om contact op te nemen met de in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst heeft de rechtbank niet onderkend dat uit vorenbedoelde uitspraak volgt dat, nu de vreemdeling om consulaire bijstand heeft verzocht, op de minister de plicht rust zich in te spannen om dat contact zo spoedig mogelijk te bewerkstelligen. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat voor de vraag of het aan de vreemdeling toekomende recht op consulaire bijstand is geschonden niet relevant is dat de vreemdeling, nadat hij te kennen heeft gegeven consulaire bijstand te wensen, niet tevens heeft aangegeven terstond gebruik te willen maken van deze gelegenheid. Dit kan eerst anders zijn, indien de vreemdeling uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij op een later tijdstip consulaire bijstand wenst, maar daarvan is in dit geval geen sprake.
De uitspraak op rechtspraak.nl