Rb. 's-Gravenhage 22 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9250
Het betoog van verzoeker dat geen wettelijke grondslag bestaat voor het nemen van een terugkeerbesluit slaagt niet. De voorzieningenrechter verwijst kortheidshalve naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 (LJN BP9280). Verzoeker stelt terecht dat het terugkeerbesluit geen feitelijke gronden als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn bevat. Verweerder heeft echter ter zitting toegelicht dat de vertrektermijn van verzoeker in het belang van de openbare orde als bedoeld in artikel 62, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is verkort tot nul dagen, nu verzoeker op 6 december 2011 strafrechtelijk is aangehouden op verdenking van overtreding van de APV van de gemeente ’s-Gravenhage. Gelet op deze aanvulling van de motivering alsmede op de mogelijkheid voor verweerder om het aan het terugkeerbesluit klevende motiveringsgebrek in bezwaar te herstellen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om vanwege de schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gevraagde voorziening toe te wijzen. Verweerder betwist niet de stelling van verzoeker dat verzoeker, alvorens hem het terugkeerbesluit werd uitgereikt, op grond van artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zijn zienswijze op het besluit te geven. Verweerder stelt echter dat verzoeker hier onder meer tijdens zijn verhoor in het kader van zijn ophouding alsmede in het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling voldoende ruimte voor heeft gekregen. Uit het voornemen van verweerder om verzoeker in bewaring te stellen, heeft verzoeker kunnen opmaken dat verweerder niet voornemens was om hem een vertrektermijn te gunnen om Nederland vrijwillig te kunnen verlaten. Verzoeker heeft hier in het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling zijn zienswijze op kunnen geven. Niet is gebleken echter dat verweerder in dit gehoor verzoeker te kennen heeft gegeven wat de redenen zijn geweest om hem geen vertrektermijn te gunnen. Hier heeft verzoeker dus niet zijn zienswijze op kunnen geven, hetgeen in strijd is met artikel 4:8 van de Awb. Middels het indienen van het bezwaarschrift heeft verzoeker evenwel alsnog zijn bezwaren tegen de redenen van de verkorting van de vertrektermijn naar voren kunnen brengen, waarmee het aan het terugkeerbesluit klevende gebrek geacht kan worden voldoende te zijn hersteld. De voorzieningenrechter ziet daarom in de schending van artikel 4:8 van de Awb geen aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Verweerder heeft in het belang van de openbare orde als bedoeld in artikel 62, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de vertrektermijn van verzoeker verkort tot nul dagen. Volgens verweerder is verzoeker een gevaar voor de openbare orde, nu hij verdacht wordt van het zich zonder redelijk doel ophouden in een portiek, hetgeen strafbaar is gesteld bij APV van de gemeente ’s-Gra¬venhage. Verzoeker betoogt dat een enkele verdenking onvoldoende is om een dergelijk gevaar te kunnen aannemen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 8 november 2011 (LJN BU4116), stelt de voorzie¬ningenrechter voorop dat het belang van de openbare orde een reden kan vormen om de vertrektermijn te verkorten. Uit de Terugkeerrichtlijn kan echter niet worden afgeleid wanneer een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van deze richtlijn. Verder is aan het begrip openbare orde als bedoeld in artikel 62, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geen nadere invulling gegeven in nationale wet- of regelgeving. De voorzieningen¬rechter ziet evenwel aanleiding om bij de uitleg van dit begrip aansluiting te zoeken bij het begrip openbare orde als bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 waarin, zakelijk weergegeven, is bepaald dat de vrije termijn van een vreemdeling eindigt zodra hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2006 (LJN AY6846) volgt dat daar reeds sprake van kan zijn indien de vreemdeling, zoals in het onderhavige geval, wordt verdacht van het plegen van een feit dat strafbaar is gesteld bij een APV. De enkele verdenking van het plegen van een strafbaar feit kan dus voldoende grond vormen om in het belang van de openbare orde de termijn voor vrijwillig vertrek te verkorten tot nul dagen. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die in zijn geval nopen tot een andersluidend oordeel. De beoordeling van de stelling van verzoeker dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, is aan de bewaringsrechter voorbehouden. Datzelfde geldt voor de stelling van verzoeker dat de gronden als genoemd in het terugkeerbesluit niet aan de maatregel tot bewaring ten grondslag hadden mogen worden gelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl