Rb. 's-Gravenhage 20 februari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4884
Buiten behandeling stelling / EG-verblijfsvergunning / richtlijn 2003/109 EG / geen wettelijke basis voor het heffen van leges Eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en heeft op 26 juni 2006 een aanvraag ingediend tot afgifte van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2003/109/EG. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet de verschuldigde leges van € 201,00 heeft voldaan. Eiser is van mening dat het heffen van leges in strijd is met het nationale recht, nu ten tijde van de aanvraag een wettelijke basis daarvoor ontbrak. Voorts is eiser van mening dat het heffen van leges in strijd is met de richtlijn. De rechtbank is van oordeel dat op het moment van de aanvraag geen wettelijke basis, als bedoeld in artikel 104 van de Grondwet, bestond voor het heffen van leges. Eerst op 18 januari 2007 is het gewijzigde artikel 3.34g van het VV 2000 in werking getreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve ten onrechte leges geheven, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbrak. Aan de vraag of het heffen van leges in strijd is met de richtlijn, komt de rechtbank niet toe. Het beroep wordt gegegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en de bip wordt, zelf in de zaak voorziend, herroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl