ABRvS 28 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG6196
Buiten behandeling stelling / EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen / wettelijke grondslag voor heffing leges De staatssecretaris heeft het verzoek van de vreemdeling om afgifte van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan ook terecht, in overeenstemming met het in WBV 2006/31 neergelegde beleid, opgevat als een aanvraag hem, thans met de aantekening "EG-langdurig ingezetene", een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 te verlenen. Door te overwegen dat de staatssecretaris ten onrechte leges heeft geheven nu daarvoor, in strijd met artikel 104 van de Grondwet, een wettelijke grondslag ontbrak, heeft de rechtbank niet onderkend dat toen de vreemdeling zijn aanvraag indiende, ingevolge artikel 3.34g van het VV 2000 voor de afdoening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als vorenbedoeld een bedrag van € 201,- aan leges verschuldigd was. Dat eerst bij de op 18 januari 2007 in werking getreden wijziging van artikel 3.34g van het VV 2000, in aansluiting op de per 1 december 2006 in werking getreden wijziging van artikel 20 van de Vw 2000, is bepaald dat voor de afdoening van een aanvraag om wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 eveneens leges verschuldigd zijn, betekent niet dat ten tijde van de door de vreemdeling ingediende aanvraag geen wettelijke grondslag voor heffing van leges voor afdoening van de aanvraag bestond.
De uitspraak op rechtspraak.nl