Rb. 's-Gravenhage 3 april 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8957
Aanvraag EG-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen / buiten behandeling stelling / heffen leges niet in strijd met Richtlijn 2003/109/EG / heffen leges ten tijde van de aanvraag niet bij wet geregeld Eisers, van Turkse nationaliteit, zijn in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen van eisers tot afgifte van een ‘EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten onderdanen van derde landen’ van 11 april 2006 buiten behandeling gesteld wegens het niet hebben betaald van de volgens verweerder voor die aanvragen verschuldigde leges ad € 201,- per aanvraag. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij de thans bestreden besluiten ongegrond verklaard. Niet staat ter discussie staat dat de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Publicatieblad van de Europese Unie, L 16, blz. 44 ev.) geen enkele bepaling bevat die ziet op een verplichting, een bevoegdheid of een verbod tot het heffen van leges ingeval van een bij de individuele lidstaat in te dienen aanvraag tot het verlenen van een vergunning als langdurig ingezetene. De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat, hoewel de Richtlijn 2003/109/EG enerzijds geen bepaling bevat die tot het heffen van leges verplicht dan wel een bepaling waaruit een bevoegdheid daartoe valt af te leiden, het anderzijds ook niet verboden is dat de individuele lidstaten leges heffen. Hierbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat in de concept Richtlijn 2003/109/EG een bepaling was opgenomen die vergunningverlening gratis of tegen betaling van – kort gezegd – een redelijk legesbedrag mogelijk zou maken. Deze bepaling is op enig moment, overigens om de rechtbank onbekende redenen, geschrapt. De rechtbank heeft uit het schrappen van die bepaling, temeer nu daarvoor in de plaats ook geen verbod op het heffen van leges in de Richtlijn 2003/109/EG is opgenomen, geconcludeerd dat het heffen van leges als indieningsvereiste door verweerder voor de desbetreffende vergunning op zichzelf niet in strijd is met de Richtlijn 2003/109/EG. De rechtbank volgt hierbij verweerder in zijn standpunt dat de legesheffing in ieder geval zijn begrenzing vindt waar de leges zodanig hoog zouden worden vastgesteld dat daardoor ieder nuttig effect aan de Richtlijn 2003/109/EG en met name ook aan de rechten van de justitiabelen zou worden ontnomen of de uitoefening daarvan onnodig moeilijk zou worden gemaakt. Of, zoals door eisers is gesteld, het nuttig effect van de Richtlijn 2003/109/EG wordt ontnomen door de door verweerder gehanteerde legesbedragen, laat de rechtbank vervolgens buiten beoordeling. Ongeacht de hoogte van de legesbedragen, dient het heffen van leges immers bij wet geregeld te zijn, hetgeen naar dezerzijds oordeel in het geval van eisers niet het geval was ten tijde van hun aanvraag van 11 april 2006. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2008 (LJN BC4884).
De uitspraak op rechtspraak.nl