Rb. 's-Gravenhage 31 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6670
Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft samen met zijn mededader(s) op klaarlichte dag, op de openbare weg - zoals onder vorenstaande bewijsoverweging omschreven - op niets ontziende, brute wijze twee jonge mensen neergeschoten. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake geweest van een weloverwogen, koelbloedige moord, waardoor aan twee mensen het leven is ontnomen. Dusdoende heeft verdachte samen met zijn mededader(s) aan de nabestaanden en vrienden van de slachtoffers onherstelbaar en onbeschrijflijk leed toegebracht, nu de onverwachte en gewelddadige dood van hun geliefden veel leed, diep verdriet en een blijvende leegte achterlaat. Voorts geldt ook nog voor de nabestaanden van [naam] dat zij geen afscheid hebben kunnen nemen van het stoffelijk overschot, aangezien zij niet in Nederland verbleven. Het kennelijke gemak waarmee verdachte en diens mededader(s) deze moorden hebben gepleegd, geeft blijk van een professionaliteit die de rechtbank ernstige zorgen baart. Immers hebben verdachte en diens broer slechts gehandeld vanuit een gekrenkt eergevoel nu één van de slachtoffers hen had opgelicht. Deze eigenrichting kan niet worden getolereerd. Deze delicten en de wijze waarop ze zijn uitgevoerd dragen niet alleen voor degenen die er ongewild getuige van werden, maar ook en vooral voor de rechtsorde een zeer schokkend karakter en versterken de in het algemeen reeds bestaande gevoelens van onveiligheid en angst.
De uitspraak op rechtspraak.nl