Rb. Rotterdam 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10347

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de minister van 24 mei 2024 tot openbaarmaking van het gelijktijdige besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete aan verzoekster van € 2.250.000 wegens vijf overtredingen van de artikelen 2, 3, 4 en 8 van het Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie (Bbgt) in samenhang gelezen met de onderdelen II, III en V van de bijlage bij het Bbgt. De voorzieningenrechter ziet eerst aanleiding het toetsingskader in dit soort zaken uiteen te zetten - wat in essentie neerkomt op een voorlopig rechtmatigheidsoordeel - en geeft aan dat geen aanleiding bestaat voor een zuivere belangenafweging. Het beroep op het lex certa-beginsel faalt. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat bestraffende handhaving door de minister hier op zijn plaats is. Hij ziet daarom geen aanleiding om in te gaan op het uitgebreide discours van verzoekster waarin de zogenoemde Harderwijkcriteria worden nagelopen. De minister heeft terecht aangenomen dat verzoekster als professionele marktpartij de eisen die het Bbgt aan haar stelt gedurende een lange periode heeft geschonden, wat naar voren komt uit de onzorgvuldige wijze waarop zij haar verplichtingen heeft uitbesteed. De minister heeft in zijn verweerschrift in dit verband terecht opgemerkt dat gezien de aard van de vastgestelde tekortkomingen – waaronder de afwezigheid van externe logging en detectie – het niet controleerbaar en dus onzeker is of ongeoorloofde toegang daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De precieze gevolgen van de vastgestelde tekortkomingen zijn dan ook niet in te schatten. Dit betekent dat een aanzienlijke bestuurlijke boete ter afschrikking passend en geboden is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het publicatiebesluit te schorsen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken