Rb. Rotterdam 7 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:5912
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de onderneming en de bestuurder tegen de door de NZa aan hen opgelegde bestuurlijke boetes. De Nza heeft deze boetes opgelegd wegens het overtreden van artikel 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de daarop gebaseerde regels door de onderneming en wegens het door de bestuurder feitelijk leidinggeven aan deze overtreding. Ook de publicatie van de boeteoplegging is aangevochten. Op basis van de overgelegde stukken bleek dat de administratie van de onderneming niet voldeed aan de wettelijke eisen. Het betreft een groot aantal tekortkomingen in de maandroosters van maart 2021, terwijl ook gerapporteerde zorg in december 2020 en maart 2021 onjuist was geregistreerd (onder meer omdat zorgverleners op meerdere data op twee adressen tegelijk zorg zouden hebben verleend). Omdat de onderneming op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Regeling op verzoek van de NZa haar administratie met betrekking tot de geleverde zorg te allen tijde inzichtelijk moet kunnen maken en haar administratieve organisatie zodanig ingericht dient te zijn dat een audit-trail mogelijk is, diende de op het eerste verzoek van de toezichthouder overgelegde administratie te voldoen aan de genoemde eisen (vgl. ECLI:NL:RVS:2022:2057, overweging 6.3; ECLI:NL:CBB:2017:274, overweging 9.2 en ECLI:NL:RBROT:2014:4751, overweging 7.2). De NZa kon daarom voorbijgaan aan aanpassingen in roosters en de zorgroutes die de onderneming nadien heeft verstrekt. Bovendien bevatten ook die documenten onregelmatigheden. De NZa heeft het boetebedrag voor de bestuurder vastgesteld op 30% van de aan de onderneming opgelegde boete. De bestuurder wordt daarmee tweemaal in haar vermogen geraakt. Uit de besluitvorming van de NZa blijkt niet dat de NZa zich hiervan rekenschap heeft gegeven, terwijl de wetsgeschiedenis en de rechtspraak daartoe wel nopen (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 136-137; ECLI:NL:HR:1990:ZC4312 en ECLI:NL:CRVB:2002:AE1890).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 51 Sr
- Artikel 5:1 Awb
- Artikel 5:43 Awb
- Artikel 5:46 Awb
- Artikel 7:11 Awb
- Artikel 8:72a Awb
- Artikel 1 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 35 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 36 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 85 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 86 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 87 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 88 Wet marktordening gezondheidszorg
- Artikel 89 Wet marktordening gezondheidszorg
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2057
- ABRvS 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2295
- CBb 11 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:83
- ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3106
- CBb 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:340
- CBb 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:47
- ABRvS 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950
- CBb 20 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:274
- HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733
- HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:246
- Rb. Rotterdam 19 juni 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:4751
- CBb 7 mei 2014, ECLI:NL:CBB:2014:163
- CRvB 21 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE1890
- HR 20 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4312