Rb. Rotterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4148

De voorzieningenrechter heeft ten minste enige twijfel of verweerder in redelijkheid tot vernietiging heeft kunnen gelasten van twee partijen aan boord gekookte partijen Noordzee garnalen. De vernietiging is een onomkeerbare maatregel. Daarmee wordt weliswaar de niet-naleving verholpen, maar het is de vraag of daarmee voldoende rekening wordt gehouden met de aard van de niet-naleving en met de antecedenten van de exploitant op het gebied van naleving zoals wordt voorgeschreven in de laatste volzin van het eerste lid van artikel 138 van verordening (EU) nr. 2017/625. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat gelet op de door verzoeksters geschetste feiten en omstandigheden het aannemelijk is dat de niet-naleving in dit geval niet ernstig is, omdat de voedselveiligheid niet in geding is, en dat de NVWA zelf, gelet op de voor verzoeksters geschetste gang van zaken, een aandeel heeft gehad in de vertraging van de voorwaardelijke erkenning en de verdere gang van zaken die heeft geleid tot de niet-naleving. Daar komt bij dat de voorwaardelijke erkenning direct na de vangst en bewerking van een van de partijen heeft plaatsgevonden en de exploitant naar zij onweersproken heeft gesteld al jaren feitelijk (de exploitatie van) het vaartuig had overgenomen. Het is dan de vraag of ter voorkoming van herhaling zou kunnen worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel, zoals de bestuurlijke boetes die zijn opgelegd en/of een officiële waarschuwing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken