Rb. Rotterdam 29 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4707

Verzoekster is het er niet mee eens dat vergunning voor kavel B05 is verleend aan Radio Limburg. Verzoekster meent dat de vergunning voor kavel B05 aan haar verleend had moeten worden voor € 80.000,-. Dit bedrag was het door haar hoogst geboden bedrag nadat de derde bieder op dit kavel van biedingen af zag. Dat verzoekster daarna aanzienlijk hoger heeft geboden doet volgens haar niet ter zake want die biedingsrondes hadden plaats tussen verzoekster en Radio Limburg, terwijl Radio Limburg volgens verzoekster van de veiling had moeten worden uitgesloten wegens vergaande verbondenheid met landelijke radio-omroep Q-Music Nederland. (…) Omdat de uitkomst van de eerdere veiling inmiddels al meer dan twee en een halve maand is geëffectueerd en Radio Limburg daarbij de nodige investeringen heeft gedaan, is de voorzieningenrechter wel van oordeel dat bij de vraag of de vergunning van Radio Limburg zou moeten worden geschorst de belangenafweging niet licht in het voordeel van verzoekster kan uitvallen. De voorzieningenrechter ziet, juist gelet ook op de belangen van de vergunninghouder en diens gedane investeringen, slechts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht kan worden vastgesteld dat de vergunningverlening aan Radio Limburg voor kavel B05 niet in stand kan blijven (vgl. ECLI:NL:CBB:2009:BI4191). (…) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou het gelet op de mogelijke feitelijke invloed van Q-Music Nederland op Radio Limburg vanwege financiële verstrengeling, in de rede hebben gelegen dat het Commissariaat op enig moment ook de financiering van Radio Limburg Holding en Radio Limburg zou hebben betrokken in haar oordeelsvorming. (…) Wat hiervoor is overwogen vormt echter onvoldoende reden tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Er is wel ernstige twijfel over de vraag of Radio Limburg tot de veiling had mogen worden toegelaten, maar dat is gelet op de in dit geval aan te leggen beoordelingsmaatstaf (...) onvoldoende reden om de gevraagde ver strekkende voorziening te treffen. Wel zal de voorzieningenrechter, gelet op de relatief korte looptijd van de vergunningen, een termijn stellen aan verweerder voor de te nemen beslissing op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken