Rb. Midden-Nederland 9 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:707
Het bestuurlijk rechtsoordeel dat het Commissariaat voor de Media heeft gegeven over de voorgenomen samenwerking tussen Q-Music Nederland B.V. en [bedrijf 1] kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestuurlijk rechtsoordeel is niet gericht op rechtsgevolg, maar geeft slechts de visie van het Commissariaat voor de Media weer over de voorgenomen samenwerking op het moment van het bestuurlijk rechtsoordeel. Deze visie heeft geen rechtsgevolg en kan daarom niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Van een situatie waarin het onevenredig bezwarend is om het resultaat van een handhavingsverzoek af te wachten, is evenmin sprake. Het kenmerk van een bestuurlijk rechtsoordeel is juist dat een bestuursorgaan een oordeel geeft over de vraag of een bepaalde gedraging in strijd is met de wet. Dat verweerder in het bestuurlijk rechtsoordeel al zou hebben ingestemd met de samenwerking tussen Q-Music en [bedrijf 1] is daarom geen reden om te oordelen dat het onevenredig bezwarend is om het resultaat van een handhavingsverzoek af te wachten. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl