Rb. Rotterdam 29 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9780
Boete opgelegd door NVWA voor verontreinigd kalverkarkas. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het boeterapport geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen; een nadere onderbouwing met foto's is niet nodig. Ook het opnemen van personalia van de toezichthouder is niet nodig, met het vermelde toezichthoudernummer kan worden achterhaald wie het rapport heeft opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de norm van punt 10 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Vo 853/2004 ten aanzien van zichtbare verontreiniging met uitwerpselen voldoende duidelijk: karkassen mogen daar niet mee verontreinigd zijn én elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd. Dat slechts sprake zou zijn van een inspanningsverplichting kan niet uit punt 10 worden afgeleid. Het voorschrift is overtreden als aan het einde van het slachtproces nog uitwerpselen zichtbaar op een karkas aanwezig zijn. Er is geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen zoals in andere zaken over pluimveekarkassen is gedaan. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het CBb (ECLI:NL:CBB:2016:355) over de beoordeling van de evenredigheid van een boete waarvan de hoogte in een wettelijk voorschrift is vastgesteld, acht de rechtbank de boete van € 2.500 in het algemeen evenredig en is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de boete in haar geval niet evenredig is. Met haar betoog dat betaling van de boete nog niet aan de orde kan zijn zolang de rechter het boetebesluit nog niet heeft beoordeeld, kan eiseres alleen bereiken dat geoordeeld wordt dat de verplichting tot betaling van de boete hangende de procedure wordt opgeschort; daarvoor is echter geen ruimte meer nu de rechtbank uitspraak doet op het beroep. Bovendien is de daarvoor aanwezen weg het vragen van een voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl