Rb. Amsterdam 21 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9126
Uit het advies van de Raad van State van 13 juli 2015 (W03.15.0138/II) blijkt dat er op voorhand geen rechtvaardiging lijkt te bestaan tussen de keus voor het verschil tussen het strafrecht en het bestuursrecht en het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht in het licht van de ingrijpende gewijzigde context waarin de bestuurlijke boete functioneert. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in een situatie waarin nog niet vaststaat of de bestuurlijke boete - een punitieve sanctie - terecht is opgelegd, terwijl invordering van een boete tot onomkeerbare gevolgen voor de uitoefening van de onderneming van verzoeker zou kunnen leiden, verweerder een zwaarwegend belang dient te hebben om - hangende de bezwaarprocedure - tot invordering van de boete over te gaan. Daarbij zal verweerder moeten onderbouwen dat van hem niet kan worden gevergd de bezwaarprocedure af te wachten. En dergelijk belang is niet gesteld door verweerder en ook niet gebleken. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker op dit moment zwaarder weegt dan het belang van verweerder tot handhaving van het besluit, en daarmee tot invordering van de boete.
De uitspraak op rechtspraak.nl