CRvB 23 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4335
Appellant heeft het dagloon waarnaar betrokkenes Wet WIA-uitkering wordt berekend, gehandhaafd op € 152,34. Raad: Uit de uitspraak van de Raad van 14 mei 2009, LJN: BI4685 blijkt dat toepassing van de hoofdregel voor de dagloonberekening, zoals neergelegd in art. 45, lid 1 van de WW, niet mag leiden tot een resultaat dat in strijd is met het principe dat het dagloon een weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van betrokkene bij het intreden van het verzekerde risico. Die hoofdregel geldt ook als het gaat om de vaststelling van het dagloon op grond van de Wet WIA. Blijkens de memorie van toelichting bij Walvis en in het bijzonder paragraaf 4.3. ‘de dagloonsystematiek’ (Kamerstukken II 2001-2002, 28 219, nr. 3, blz. 58 e.v.) heeft de met deze wet beoogde vereenvoudiging geleid tot een nieuwe dagloonregeling met de volgende uitgangspunten: • de loonelementen voor het dagloon zijn gelijk aan het loon waarover premies worden geheven; • het dagloon wordt gebaseerd op het in een referteperiode genoten loon (historisch dagloon); • voor de verschillende wetten gelden zo uniform mogelijke regels en • de daglonen worden vastgesteld aan de hand van feitelijk vast te stellen, objectieve gegevens. Door middel van Walvis heeft de wetgever dus in die zin een wijziging in de dagloonsystematiek aangebracht dat het dagloon in het vervolg gebaseerd moet worden op het historisch dagloon. Uit de hiervoor vermelde uitspraak blijkt echter eveneens dat niet kan worden gezegd dat met invoering van het historisch dagloon het loondervingsbeginsel is verlaten. Door uit te gaan van genoten loon, zullen opgetreden loonmutaties ook doorwerken in het dagloon en daarmee wordt recht gedaan aan het principe dat gelegen is in de hoofdregel van art. 13, lid 1 Wet WIA, namelijk dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven van het welvaartsniveau van de betrokken werknemer. Het ontstaan van het onderhavige negatief loon is het gevolg van een voor de referteperiode door appellant gemaakte fout bij de betaling van een aan betrokkene toekomende WW-uitkering. Appellant heeft ter zitting beaamd dat door de door hem gehanteerde berekeningswijze van het dagloon het niet is uitgesloten dat ten gevolge van een vordering van appellant tijdens het refertejaar het dagloon op nihil moet worden gesteld. Appellant is bij de berekening van het dagloon onder meer uitgegaan van zijn eigen aangifte van het door betrokkene genoten SV-loon, en heeft daarbij op de in het refertejaar aan betrokkene betaalde WW-uitkering in mindering gebracht de vordering van appellant, welke vordering door betrokkene in het refertejaar is voldaan. Het dagloon dat met in achtneming van het in de aangifte van appellant opgenomen terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van betrokkene op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de Wet WIA en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene. Appellant heeft dus een onjuiste toepassing gegeven aan art. 2, lid 1 van het Besluit, in verbinding met art. 13, lid 1 van de Wet WIA.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 21 Berw
- Artikel 17 Wfsv
- Artikel 1 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
- Artikel 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
- Artikel 3 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
- Artikel 10 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
- Artikel 16 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
- Artikel 13 WIA
- Artikel 61 WIA