Rb. Rotterdam 16 februari 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV6089

Het eerdere verzoek van een kredietaanbieder om voorlopige voorziening tegen een besluit van AFM tot lastoplegging en publicatie is niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van twee weken is voldaan. Nadien heeft de kredietaanbieder opnieuw een voorlopige voorziening gevraagd tegen hetzelfde besluit. Het nieuwe verzoek geeft de voorzieningenrechter ambtshalve aanleiding de eerdere uitspraak vervallen te verklaren omdat de gemachtigde van de kredietverstrekker er op mocht vertrouwen dat de rekening courant-verhouding tussen de rechtbank Rotterdam en zijn kantoor mede betrekking had op hem als gemachtigde. Ten aanzien van het nieuwe verzoek komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de kredietaanbieder geen beroep kan doen op artikel 1:20 lid 1, onderdeel f, Wft. De wijze waarop de kredietaanbieder de spoedoverboeking aanbiedt kwalificeert naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als een nevendienst als bedoeld in overweging 22 van de considerans van de Richtlijn 2008/48/EG, maar als een onderdeel van de kredietverstrekking zelf. Met AFM is de voorzieningenrechter van oordeel dat de kredietaanbieder bij de kredietverstrekking met spoedoverboeking niet slechts onbetekende kosten aan de consument in rekening brengt, zodat haar activiteiten voor dat product vallen binnen het verbod van artikel 2:60 lid 1 Wft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen