Rb. Oost-Brabant 10 januari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:82
Het college van b&w heeft een vergunning verleend voor het wijzigen van het luchtwassysteem, het plaatsen van een mobiele mestscheider en het realiseren van een vaste mestopslag. De rechtbank acht aannemelijk dat het, gezien de landelijke mestproblematiek, voor de rentabiliteit van het bedrijf van vergunninghoudster van wezenlijk belang is om twaalf keer per jaar een mestscheider te kunnen gebruiken binnen haar inrichting en dat het treffen van geluidreducerende maatregelen met betrekking tot deze activiteit redelijkerwijs niet mogelijk is. De gestelde geluidgrenswaarden bieden een toereikende bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder. Vanwege het ontbreken van een kenbare belangenafweging wordt het bestreden besluit op dit punt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het college dit gebrek in verweer heeft hersteld. Verder is het de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het bestreden besluit zal leiden tot een (relevant) hogere geurbelasting ter plaatse van de omliggende woningen. Ook als de omgevingsvergunning niet in stand blijft, blijft de bestaande geurbelasting op grond van de eerder verleende omgevingsvergunning mogelijk. Het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM slaagt daarom niet. Omdat het verzoek van eiseres om tot aanvulling/wijziging van vergunningvoorschriften over te gaan dan wel om omgevingsvergunningen voor deze inrichting in te trekken niet is gedaan via een zelfstandig stuk maar in de zienswijze tegen het ontwerp van de omgevingsvergunning, is het verzoek van eiseres geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Van het uitblijven van een besluit op een aanvraag is geen sprake. Omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laat, mag vergunninghoudster gebruik maken van de verleende omgevingsvergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl