Rb. Oost-Brabant 27 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2570
Ontvankelijkheid, passende beoordeling, 7.24 vierde lid onder a Wm, 1.2a Invoeringswet Wabo. Beoordeling diverse milieuaspecten (ammoniak, geur, geluid, trillinghinder) Samenvatting: Gelet op de doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij volgens haar statuten in het bijzonder behartigt. Uit de wet of de parlementaire geschiedenis bij artikel 7.24, vierde lid, van de Wm blijkt niet dat de wetgever heeft beoogd het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning te laten beoordelen of er een noodzaak bestaat voor een passende beoordeling in het geval reeds een vergunning op basis van de Nbw 1998 is aangevraagd. Vergroting van de hokoppervlakte binnen de categorie ‘overige huisvestingssystemen’ van de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij leidt niet tot het oordeel dat het huisvestingssysteem wijzigt. Er is sprake van onlosmakelijke samenhang tussen de activiteiten milieu en bouwen. In dit geval is de bouwvergunning aangevraagd vóór 1 oktober 2010. Artikel 1.2a Invoeringswet Wabo bevat hiervoor geen voorziening. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat artikel 1.2a Invoeringswet naar analogie wordt toegepast in het geval een bouwvergunning is aangevraagd voor 1 oktober 2010 en een omgevingsvergunning milieu voor hetzelfde project daarna. Analoge toepassing van het derde lid van genoemd artikel brengt dan met zich dat de regels omtrent onlosmakelijke samenhang niet van toepassing zijn
De uitspraak op rechtspraak.nl