Rb. Noord-Nederland 1 november 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4668
Mijnbouwschade / schadevergoeding toegekend voor waardedaling woning in aardbevingsgebied / besluit op aanvraag in de zin van de Awb / schadevaststelling mag op abstracte wijze plaatsvinden / procedure en werkwijze IMG betreffen beleidsregels / redelijke en aanvaardbare keuzes voor model met grenswaarde van 2,9 mm/s en imago-effect / beving Huizinge was kantelpunt / in redelijkheid geen afwijking van beleid. Beroep ongegrond verklaard. Aan eiser is op grond van de Tijdelijke wet Groningen (de TwG) een schadevergoeding toegekend voor de waardedaling van zijn woning in het aardbevingsgebied. Niet in geschil is dat eiser er middels indiening van een aanvraag bij verweerder voor heeft gekozen om de schade door waardedaling van zijn woning via de publiekrechtelijke route te verhalen. De TwG vormt daarmee de wettelijke basis voor de beslissing van verweerder op deze aanvraag. Daarmee heeft de beslissing van verweerder een publiekrechtelijke grondslag. De rechtbank stelt vast dat – en dat is ook niet in geschil – de beslissing van verweerder ook anderszins voldoet aan de vereisten van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), zodat sprake is van een besluit. Dit betekent dat daartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb bezwaar openstaat voor eiser en dat verweerder dat bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht en inhoudelijk heeft beoordeeld. De rechtbank concludeert uit de van toepassing zijnde civielrechtelijke jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad (de HR) dat vaststelling van schade ten gevolge van waardedaling van een woning door gaswinning volgens civielrechtelijke normen op abstracte wijze mag plaatsvinden. In het kader van de TwG gebruikt verweerder daarvoor de methode van Atlas Research (Atlas). De rechtbank stelt verder vast dat in de onderhavige – bestuursrechtelijke – procedure partijen het er over eens zijn dat de geofysische situatie in het Groningenveld voldoende stabiel is om de door eiser geclaimde schade reeds thans vast te stellen. Evenzeer zijn partijen het er over eens dat de geclaimde schade een voldoende structureel karakter heeft, dat toekennen van de schade mogelijk is en niet op onoverkomelijke bezwaren vanuit het oogpunt van doelmatigheid stuit en dat eiser bij een beslissing op zijn aanvraag belang heeft. Onder die omstandigheden bestaat geen (civielrechtelijk) beletsel de door eiser in zijn aanvraag geclaimde schade reeds thans – met inachtneming van de peildatum 1 januari 2019 – te begroten. De rechtbank voegt daaraan toe dat de HR in de uitspraak van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) uitdrukkelijk de mogelijkheid openlaat dat een regeling tot stand wordt gebracht die voorziet in een vergoeding van schade door waardedaling van een woning. Vergoeding van schade op grond van een dergelijke regeling, zo verstaat de rechtbank voornoemde uitspraak, is ook mogelijk indien zou moeten worden aangenomen dat op het moment van indiening van een schadeverzoek (nog) geen sprake is van een geofysisch voldoende stabiele toestand. Op grond van vorenstaande overwegingen valt niet in te zien dat uitoefening van de in de TwG neergelegde bevoegdheid en taak om de aanspraak op schade door waardedaling van een woning vast te stellen niet mogelijk is vanwege het in artikel 2, zesde lid, van de TwG neergelegde uitgangspunt dat die aanspraak volgens de bepalingen van het BW moet worden vastgesteld. Daarbij acht de rechtbank niet van belang dat de TwG een publiekrechtelijke regeling betreft en niet een civielrechtelijke regeling waar de HR in zijn beantwoording van de door deze rechtbank gestelde prejudiciële vragen op doelt. Conclusie van de rechtbank is derhalve dat de door eiser in zijn aanvraag neergelegde aanspraak op schadevergoeding wegens waardedaling van de woning door verweerder kan worden vastgesteld, hetgeen in het bestreden besluit ook is gebeurd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verweerder vastgestelde “Procedure en werkwijze IMG” beleidsregels in de zin van de Awb betreffen. Die procedure en werkwijze is tot stand gekomen met inachtneming van het in het Burgerlijk Wetboek opgenomen aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht en de jurisprudentie dienaangaande. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiser een aantal variabelen die verweerder heeft gebruikt bij het vaststellen van de schade door waardedaling, niet heeft bestreden. In het licht van de benoemde algemene kaders voor vaststelling van waardedaling door gaswinning en de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen (de Adviescommissie) volgt de rechtbank verweerder in zijn betoog dat bij het begroten van schade altijd keuzes moeten worden gemaakt. Dit ligt ook in lijn met vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder kan niet worden verweten dat hij geen actieve opstelling heeft gehad bij het onderzoeken en invullen van zijn wettelijke bevoegdheid tot schadeafhandeling inzake waardedaling. Van ondeugdelijk onderzoek, dan wel het niet meewegen van belangen van burgers, is hier geen sprake geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts redelijke en aanvaardbare keuzes gemaakt door het door Atlas ontwikkelde model met een grenswaarde voor bevingen van 2,9 mm/s in de procedure en werkwijze aan te wijzen als model om verschillen in waardedaling in het waardedalingsgebied te begroten. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat het model van Atlas tot stand is gekomen op basis van een grootschalig empirisch onderzoek naar woningtransacties in het waardedalingsgebied in de periode tussen 16 augustus 2012 en 1 januari 2019. De Adviescommissie heeft geconcludeerd dat het model van Atlas het meest robuuste is, gelet op opeenvolgende studies en een vergelijking met andere methodes van schadevaststelling. De conclusies van professor De Kam zijn daarentegen niet gebaseerd zijn op een vergelijkbaar empirisch onderzoek. Een model met grenswaarden van 1,0 mm/s is minder geschikt nu dat minder robuust en minder betrouwbaar is. Het model van Atlas met de grenswaarde voor bevingen van 2,9 mm/s leidt gemiddeld genomen tot de hoogste uitkomsten, daar waar het gaat om de bepaling van de hoogte van de waardedaling. De keuze voor een model met gemiddeld de hoogste uitkomsten acht de rechtbank het meest redelijk gelet op het uitgangspunt van ruimhartige schadeafhandeling. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder een redelijke en aanvaardbare keuze heeft gemaakt door het imago-effect aan te merken als één van de indicatoren van waardedaling door gaswinning. Ten eerste is dat effect onderdeel van het door Atlas ontwikkelde en door verweerder gekozen model, dat steunt op uitgebreid empirisch onderzoek waarin een generiek effect is gevonden dat samenhangt met het imago van het aardbevingsgebied. Ten tweede mocht verweerder in redelijkheid bij zijn keuze betrekken welke invloed de beving bij Huizinge op 16 augustus 2012 heeft gehad op de Nederlandse samenleving in het algemeen en op de (discussie over) waardedaling door gaswinning in het bijzonder. Die beving is een kantelpunt geweest in de aandacht voor en discussie over aardbevingen door gaswinning. Het is redelijk en aanvaardbaar dat verweerder ervoor heeft gekozen om het imago-effect uit te keren aan diegene die op 16 augustus 2012 eigenaar was van een woning in het waardedalingsgebied. De rechtbank acht de in deze zaak bestreden onderdelen van de procedure en werkwijze betreffende de vaststelling van de waardedaling door gaswinning voldoende ruimhartig, redelijk en aanvaardbaar. In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om van zijn beleid af te wijken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374
- ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2774
- Rb. Noord-Nederland 18 mei 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1935
- HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618
- HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208
- HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998
- HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651
- HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707