Rb. Noord-Nederland 25 juli 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3270

WAO. Artikel 14 van het EVRM heeft een accessoir karakter en samenhangt met een ander EVRM-recht. Nu, zoals ter zitting is bevestigd, geen beroep is gedaan op artikel 1 van het EP bij het EVRM, kan geen beroep worden gedaan op artikel 14 van het EVRM. De berekening van het herziene dagloon is niet in strijd met het in artikel 26 van het IVBPR neergelegde discriminatieverbod. Geen sprake van discriminatie door het eerste WAO-recht niet mee te tellen bij de berekening van het herziene dagloon. De wetgever is, mede gezien de memorie van toelichting, binnen de hem toekomende beoordelingsruimte gebleven door bij de vaststelling van de herziening van het dagloon de WAO-uitkering buiten beschouwing te laten. Dat in de referteperiode de ontvangen WAO-uitkering niet meer wordt meegeteld bij de berekening van het herziene dagloon, is een gevolg van gewijzigde regelgeving. Aan artikel 40, eerste lid, laatste volzin, van de WAO ligt een eerlijke en rechtvaardige afweging ten grondslag ligt tussen de legitieme doelstelling en het gekozen middel. Er bestaat geen aanleiding om artikel 40, eerste lid, tweede volzin, van de WAO buiten toepassing te laten vanwege strijd met artikel 26 van het IVBPR. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken