Rb. Noord-Holland 5 juni 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4809

Aan de verkrijging van de aandelen lagen geen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag. Het beroep van eiseres op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, aanhef en letter a, van de Wet Vpb faalt. Het beroep op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb (compenserende heffing) slaagt. De portefeuille is door eiseres aangekocht met het vooropgezette doel de daarop te realiseren rendementen af te zetten tegen de gecreëerde renteaftrek (het Bosal–gat). Met de renteswap is het rendement op de portefeuille afgestemd op de gecreëerde rentelast, zodat het Bosal-gat optimaal werd benut. Het hiermee te creëren belastingvoordeel is tussen de twee banken verdeeld. Met het aldus creëren en op voorhand verhandelen van het belastingvoordeel is evenzeer sprake van strijd met doel en strekking van de Wet Vpb en genoemde artikelen, indien renteaftrek zou worden toegestaan. Onder deze omstandigheden kan namelijk niet worden gezegd dat tegenover de voorgestane renteaftrek ‘eigen winsten’ staan van eiseres of van het concern waartoe zij behoort. Toepassing van het leerstuk fraus legis heeft tot gevolg dat de rente niet voor aftrek in aanmerking komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken