Hof Amsterdam 30 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2832

Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap opgericht als onderdeel van een project van een Franse en een Nederlandse financiële instelling, heeft in de boekjaren 2007/08 en 2008/09 preferente aandelen (prefs) verworven in een Luxemburgse deelneming; daarnaast heeft zij een omvangrijke obligatieportefeuille verworven. De prefs worden gefinancierd met Limited Recourse-leningen (de leningen), circa € 750 mln, verstrekt door een andere Luxemburgse vennootschap. De Luxemburgse vennootschappen zijn groepsvennootschappen van de Franse financiële instelling. De vergoeding op de prefs is in Luxemburg aftrekbaar en valt in Nederland in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling. De door belanghebbende verschuldigde rente is afgestemd op het rendement op de prefs en bedraagt ruim € 31 mln per boekjaar. Voor de periode vanaf 1 januari 2008 is het Hof van oordeel dat de inspecteur, met toepassing van een vanaf die datum voor hem bestaande tegenbewijsmogelijkheid, aannemelijk heeft gemaakt dat aan de leningen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De verschuldigde rente is dan reeds op grond van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet aftrekbaar. Voor het gedeelte van de rente dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2008 acht het Hof het aannemelijk dat de leningen zijn aangegaan met het doorslaggevend oogmerk om belasting te besparen. De aldus (kunstmatig) gecreëerde rentelasten zijn afgezet tegen op kunstmatige wijze bij belanghebbende tot stand gekomen voordelen. In een dergelijk geval staat het leerstuk wetsontduiking (fraus legis) aan aftrek van de rente in de weg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken