Rb. Midden-Nederland 11 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2200
Deze uitspraak gaat over de hoogte van het smartengeld dat de korpschef eiser moet toekennen. De korpschef heeft de hoogte van het smartengeld gebaseerd op het blijvende invaliditeitspercentage dat op dat moment was vastgesteld. Tussen partijen is in geschil of de korpschef dit zo mocht doen of dat hij had moeten wachten op de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage om dat te gebruiken voor de berekening van de hoogte van het smartengeld. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de manier waarop de korpschef het bestreden besluit heeft genomen niet zorgvuldig is. De korpschef had de uitkomst van eisers ziektetraject moeten afwachten. De rechtbank draagt de korpschef op om op basis van het inmiddels vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage een nieuw besluit over het aan eiser toe te kennen smartengeld te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl