CRvB 2 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2227
De korpschef heeft de uitkering naar aanleiding van het dienstongeval van 13 januari 2013 terecht in mindering heeft gebracht op de maximale tegemoetkoming waarop betrokkene aanspraak maakt in verband met de beroepsziekte PTSS. De korpschef heeft aangevoerd dat de rechtbank de eerder toegekende vergoeding voor het dienstongeval ten onrechte heeft aangemerkt als een vergoeding voor materiële schade. Deze beroepsgrond slaagt. De uitkering die betrokkene heeft ontvangen naar aanleiding van het dienstongeval van 13 januari 2013 is gebaseerd op artikel 54a van het Barp, waarvoor de korpschef destijds was verzekerd via een ongevallenverzekering. Dat in de Rsdp, maar ook in de Rvbp, arbeidsongeschiktheid is opgenomen als een criterium op basis waarvan de hoogte van de uitkering kan worden bepaald, maakt niet dat de uitkering om die reden niet is aan te merken als een vergoeding van immateriële schade. Verder heeft de korpschef aangevoerd dat de smartengelduitkering op grond van artikel 54a van het Barp een maximumbedrag is en er geen sprake kan zijn van een invaliditeit van meer dan 100%. De eerder toegekende smartengelduitkering voor het dienstongeval van 13 januari 2013 moet daarom worden verrekend met de smartengelduitkering voor de beroepsziekte PTSS. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.
De uitspraak op rechtspraak.nl