Rb. Gelderland 16 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:314

Betreft een procedure over toekenning door de korpschef van smartengeld aan eiseres in verband met een beroepsziekte. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het bedrag aan toegekend smartengeld en de wijze waarop de korpschef dat bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de laatste zin van de artikelen 3, eerste lid, en 4, tweede lid, van de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) inhoudt dat, indien vijf jaar na de aanvraag nog geen eindsituatie is bereikt, het BI-percentage respectievelijk het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld naar de stand van zaken op het moment dat vijf jaar zijn verstreken na de aanvraag, ook als de termijn van vijf jaar al geruime tijd is overschreden. Bij de vaststelling van het BI-percentage zijn de termijnen genoemd in artikel 3 van het Rvbp in deze zaak niet nageleefd. Het BI-percentage van eiseres is vastgesteld naar de stand van zaken ten tijde van die vaststelling en niet naar de stand van zaken vijf jaar na de aanvraag. De rechtbank is op basis van de gedingstukken van oordeel dat het aannemelijk is dat dat eiseres in dit geval niet is benadeeld doordat de korpschef het BI-percentage buiten de in artikel 3 van de Rvbp genoemde termijnen heeft vastgesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken