Rb. Midden-Nederland 9 april 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1565
WSW is niet rechtstreeks belanghebbend bij subsidiebesluiten van woningcorporaties Trefwoorden: 1:2 van de Awb, afgeleid belang, zakelijk belang, collectief belang, bijzondere positie Woningwet, volkshuisvestelijk belang Samenvatting Eiseres heeft borg gestaan voor de leningen die twee woningcorporaties zijn aangegaan. Deze woningcorporaties hebben zulke grote financiële problemen gekregen dat zij saneringssubsidie hebben aangevraagd bij verweerder. Verweerder heeft die subsidie in het ene geval gedeeltelijk verleend en in het andere geval geheel geweigerd. Verweerder stelt zich namelijk op het standpunt dat andere partijen in de financiering van de sanering kunnen en ook zullen voorzien. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissingen, omdat zij die partij is die moet opdraaien voor de kosten van de sanering. Verweerder heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is het hiermee eens. Eiseres heeft als borgingsmaatschappij alleen een contractueel belang bij de besluiten en wordt daardoor dus niet rechtstreeks geraakt. Dat eiseres in haar functie van gemandateerd saneerder als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Woningwet betrokken is geweest bij de opstelling van de saneringsplannen, verplicht haar ook niet tot medewerking aan die plannen. Dat niet meewerken voor eiseres financieel onaantrekkelijk is, betekent niet dat zij op dat vlak geen keuze heeft. Ook vindt de rechtbank niet dat het belang van eiseres en de woningcorporaties tegengesteld of niet soortgelijk zou zijn. Eiseres en de woningcorporaties willen hetzelfde, namelijk volledige saneringssubsidie. Eiseres wordt evenmin geraakt in haar zakelijk recht van hypotheek. De subsidiebesluiten hebben namelijk geen gevolgen voor de waarde van de registergoederen van de woningcorporaties, waarop het recht van hypotheek van eiseres rust. Dat eiseres een bijzondere positie heeft in het volkshuisvestelijk bestel maakt haar evenmin rechtstreeks belanghebbend, omdat hieruit niet volgt dat eiseres in het verleden geen keuze heeft gehad om borg te staan voor alle leningen die de woningcorporaties hebben afgesloten. Het betoog van eiseres dat zij, bij een negatieve uitkomst in dit geding, naar de civiele rechter zal moeten stappen, maakt haar ook niet belanghebbend. De saneringsbesluiten zijn niet aan te merken als onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 van het BW jegens eiseres, waarmee niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Niet is verder gebleken dat eiseres een collectief belang behartigt en dat zij daarom belanghebbende is. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474
- ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3151
- ABRvS 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2601
- CBb 15 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:323
- ABRvS 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2643
- CBb 10 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:105
- ABRvS 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0794
- ABRvS 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9493
- ABRvS 13 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AH6919
- ABRvS 22 april 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AN5252